Vroegpensioen is (een beetje) terug van weggeweest.

Na een flink aantal jaren waarin het vrijwel onmogelijk was om eerder te stoppen met werken is de deur vanaf 2021 meer open gezet om met vervroegd pensioen te gaan. Waar het beleid er voorheen op gericht was mensen zo lang mogelijk te laten doorwerken, met een flinke boete voor werkgever én werknemer bij vervroegd uittreden, komt men nu langzaam maar zeker terug op dit beleid. Langer doorwerken is namelijk niet voor iedereen haalbaar. Afgelopen januari hield Montae & Partners haar eerste webinar voor Ondernemingsraden over diverse “ontziemaatregelen”. In het webinar werd uitgelegd welke maatregelen er recent zijn genomen om het werknemers toch iets gemakkelijker te maken om eerder met pensioen te gaan. Liesbeth Hufen, pensioenadviseur van Montae & Partners, presenteerde het webinar.

RVU-boete deels opgeheven

Kort gezegd wordt het mogelijk om zonder een boete van de belastingdienst maximaal drie jaar eerder te pensioneren. Een forse boete die tot 2021 door de werkgever moest worden betaald.  Liesbeth: “Kort door bocht is het is alsof je AOW-uitkering maximaal 3 jaar eerder in gaat. Het is alleen niet de Sociale Verzekeringsbank die de uitkering verstrekt maar de werkgever”.

Afspraken met werkgever

De RVU-vrijstelling is een uitstekend instrument om op te nemen in een duurzaam inzetbaarheidsbeleid zodat dit in combinatie met andere ontziemaatregelen een geheel vormt voor het inzetbaarheidsbeleid. Als onderdeel van een inzetbaarheidsbeleid is het ook prima om op die manier op de overlegtafel met de werkgever te brengen. Zo snijdt het mes ook echt aan meerdere kanten. Als er afspraken zijn gemaakt in de CAO over het toepassen van de RVU-vrijstelling dan is het zaak goed te bekijken hoe deze afspraken precies luiden.

Belangrijk: duidelijke keuzemogelijkheden voor werknemer

Als werknemers gebruik willen maken van ontziemaatregelen zoals het bedrag ineens of de RVU-regeling is het  verstandig hier vooraf goed over na te denken. Keuzes die je maakt kunnen van invloed zijn op de verschuldigde loon-en inkomstenbelasting,  inkomensafhankelijke regelingen zoals zorg- en huurtoeslag en de hoogte van het pensioen.  Als een ondernemingsraad met een werkgever afspraken maakt over ontziemaatregelen vergeet dan zeker de financiële voorlichting aan werknemers niet. “Wij hebben prima tools in huis, die specifiek voor die werknemer in beeld brengt wat de gevolgen zijn om gebruik te maken van de ontziemaatregelen. Mocht een ondernemingsraad daar meer over willen weten dan is dat uiteraard mogelijk”.

RVU in het kort

• Alleen als je geboren bent tussen 1955 tot 1961 kan je aanspraak maken op de RVU-regeling

• De duur van de vrijstelling is maximaal 36 maanden voorafgaand aan pensionering van de werknemer

• Het maakt voor de vrijstelling niet uit of in voltijd of in deeltijd werkt, de hoogte van de vrijstelling is  € 1.767 bruto per maand. Dit is gelijk aan het bedrag voor een echtpaar die beiden AOW ontvangen.

• De uitkering mag worden aangevuld door pensioen eerder in te laten gaan of spaargeld of ander vermogen in te zetten Doe je dit niet en de werkgever dan is het maximale bedrag € 1.767 bruto per maand. Voor de meeste mensen zal gelden dat zij hun pensioen wel eerder laten ingaan nu € 1.767 per maand erg weinig is om van te kunnen leven.

• Als een werknemer gebruik maakt van de vrijstelling gaat hij uit dienst bij de werkgever. Het is ook niet de bedoeling dat de werknemer WW aanvraagt of ergens anders gaat werken. Op zich logisch; de RVU-vrijstelling is juist bedoeld om werknemers eerder te laten stoppen met werken

• Wil een werknemer gebruik maken van de RVU-uitkering dan moet deze uiterlijk  31 december 2025 met werkgever afgesproken te zijn

Andere “ontziemaatregelen”

Minder snelle stijging AOW-leeftijd

Vanaf 2020 stijgt de AOW-leeftijd minder snel dan eerder was vastgelegd. Voor 2021 is de AOW-leeftijd, net als in 2020,  66 jaar en 4 maanden. In 2022 stijgt de AOW-leeftijd met 3 maanden en komt in 2024 uit op 67 jaar. Daarna zal de AOW-leeftijd niet met 1 jaar stijgen per jaar dat we langer leven, maar met 8 maanden.

Meer verlofsparen mogelijk

Vanaf 2021 mag er binnen de fiscale grenzen meer verlof worden opgebouwd. De grootste wijziging is het aantal weken dat mag worden opgespaard, van 50 naar 100 weken. Het opgebouwde verlof mag op alle momenten tijdens de loopbaan worden opgenomen en is dus niet alleen voor eerder met pensioen gaan bedoeld. Het idee hierachter is dat een werknemer het verlof op een voor hem prettige manier kan inzetten. Een werknemer kan besluiten om bijna twee jaar (met behoud van salaris) te stoppen met werken en dan met pensioen te gaan of om langzaam betaald af te bouwen.  Maar ook zorgverlof of het volgen van een langere studie is mogelijk. Werkgevers en de ondernemingsraad kunnen samen afspraken maken over het gebruik van deze verlofverruimingen. Daarbij kan creatief worden gedacht, bijvoorbeeld een afspraak dat compensatie van overwerk (deels) plaatsvindt via verlofsparen.

Generatiepactregelingen

Bij een generatiepact gaat een werknemer minder uren werken en krijgt daardoor meer rust en vrije tijd. De oudere werknemer kan daardoor langer, met plezier doorwerken én zijn/haar kennis doorgeven aan de jongere generatie. Het is de bedoeling dat door de financiële ruimte die hierdoor ontstaat (de oudere werknemer werkt minder, dat is een voordeel voor de werkgever) de werkgever een jongere werknemers eerder in dienst kan nemen.  Deze regel wordt vaak gehanteerd: de werknemer gaat 80% werken,

De werknemer ontvangt loon alsof hij 90% werkt en de  pensioenopbouw gaat door alsof er nog 100% wordt gewerkt. Andere varianten zoals 60/70/80 of en 70/85/100 zijn ook mogelijk. Het is aan de partijen die over de arbeidsvoorwaarden gaan om hier samen afspraken over te maken.

Bedrag ineens

Een ander onderdeel van de wet is het ‘Bedrag ineens’ dat per 1 januari 2023 in gaat. De regeling houdt in dat je maximaal 10 procent van de waarde van je ouderdomspensioen in één keer op mag nemen en mag besteden zoals dit deelnemer dit wilt. Dit heeft uiteraard wel een lagere pensioenuitkering tot gevolg. Pensioenfondsen zijn verplicht om hieraan mee te werken. ER zijn wel voorwaarden om gebruik te maken van het “bedrag ineens”. Zo moet de uitkering na het bedrag ineens hoger blijven dan circa 497 bruto per jaar en, omdat ook het nabestaandenpensioen lager wordt, moet ook de partner bij de aanvraag meetekenen.

Terug naar het nieuwsoverzicht