Veel genoemd, vaak verward: overgangsrecht en eerbiedigende werking

Auteur: Nina Vermeulen

Inleiding
Tijdens de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel komen ondernemingsraden regelmatig de termen overgangsrecht en eerbiedigende werking tegen. Deze begrippen spelen een rol bij pensioenregelingen waarvoor de wet onder voorwaarden toestaat dat een leeftijdsafhankelijke premie wordt voortgezet. In de praktijk worden deze begrippen vaak door elkaar gebruikt, terwijl zij niet hetzelfde betekenen. Voor ondernemingsraden is het belangrijk dit onderscheid te begrijpen, omdat de keuze voor een bepaalde overgangsregeling directe gevolgen heeft voor werknemers en de inrichting van de pensioenregeling.

Wat is overgangsrecht?
Overgangsrecht regelt hoe nieuwe wetten of regels van toepassing worden op bestaande situaties, zodat werkgevers en werknemers zich kunnen aanpassen aan de veranderingen. Bij de invoering van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) heeft de wetgever ook overgangsrecht opgenomen om te voorkomen dat bestaande pensioenregelingen van de ene op de andere dag volledig moeten worden aangepast. Het overgangsrecht bevat verschillende wettelijke uitzonderingen en overgangsbepalingen die werkgevers, werknemers en pensioenadministrateurs de mogelijkheid geven om de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel zorgvuldig vorm te geven. Het overgangsrecht is daarmee een verzamelbegrip voor alle wettelijke regels die betrekking hebben op de overgang van oud naar nieuw.

Voor ondernemingsraden is het van belang te beseffen dat vrijwel iedere wijziging van een pensioenregeling in het kader van de Wtp raakt aan overgangsrecht. De relevante vraag is vervolgens welk overgangsrecht wordt toegepast en welke werknemers daardoor worden geraakt.

Wat is de eerbiedigende werking?
De eerbiedigende werking is een specifieke vorm van overgangsrecht. Bij verzekerde pensioenregelingen met een leeftijdsafhankelijk premiepercentage biedt de eerbiedigende werking werkgevers onder voorwaarden de mogelijkheid om de bestaande premiestaffel te blijven toepassen voor werknemers die op het overgangsmoment al deelnemer zijn aan de pensioenregeling. Nieuwe werknemers bouwen vanaf dat moment pensioen op via een pensioenregeling met een leeftijdsonafhankelijke vlakke premie. Hierdoor kunnen twee groepen werknemers binnen dezelfde organisatie ontstaan.

Het belangrijkste gevolg hiervan is dat bestaande werknemers pensioen kunnen blijven opbouwen volgens de bestaande premiestaffel. Daardoor hoeft een werkgever deze werknemers niet te compenseren voor de overgang naar een vlakke premie. Tegelijkertijd ontstaat er wel een verschil in pensioenopbouw tussen huidige en toekomstige werknemers.

Wat is een premiestaffel?
Bij een beschikbare premieregeling wordt voor iedere werknemer een premie ingelegd waarmee pensioen wordt opgebouwd. In bestaande beschikbare premieregelingen gebeurt dit vrijwel altijd op basis van een premiestaffel. Dat betekent dat de hoogte van de premie afhankelijk is van de leeftijd van de werknemer: naarmate een werknemer ouder wordt, stijgt het premiepercentage. De hoogte van de premie wordt berekend door het premiepercentage toe te passen op de pensioengrondslag. De pensioengrondslag is het deel van het pensioengevend salaris dat overblijft als de franchise er is afgehaald.   De gedachte achter deze systematiek is dat een premie die op jonge leeftijd wordt ingelegd, langer kan renderen dan een premie die op latere leeftijd wordt ingelegd. Jongere werknemers hebben daardoor meer tijd om pensioenvermogen op te bouwen. Om dit verschil in opbouwtijd te compenseren, wordt voor oudere werknemers een hogere premie ingelegd.   Onder de Wtp is het uitgangspunt juist dat voor alle werknemers binnen dezelfde pensioenregeling een leeftijdsonafhankelijke premie geldt. De premie is dus voor alle werknemers hetzelfde. Daardoor kan de overgang van een leeftijdsafhankelijke premiestaffel naar een vlakke premie gevolgen hebben voor verschillende leeftijdsgroepen binnen de onderneming. Voor oudere werknemers wordt meestal minder premie ingelegd, terwijl de premie-inleg voor jongere werknemers juist toeneemt. Over de gevolgen hiervan worden afspraken gemaakt tussen werkgever en ondernemingsraad.

De belangrijkste misvatting
Regelmatig wordt gezegd dat een werkgever “gebruikmaakt van overgangsrecht”, terwijl eigenlijk wordt bedoeld dat de werkgever kiest voor de eerbiedigende werking. Dat is niet hetzelfde. Het overgangsrecht is het overkoepelende wettelijke kader. De eerbiedigende werking is slechts één van de mogelijkheden binnen dat kader. Anders gezegd: elke eerbiedigende werking is overgangsrecht, maar niet elk overgangsrecht is eerbiedigende werking. Voor ondernemingsraden is dit onderscheid relevant, omdat de gevolgen voor werknemers sterk verschillen afhankelijk van de gekozen oplossing.

Voorbeeld
Stel dat een onderneming een beschikbare premieregeling heeft met een leeftijdsafhankelijke premiestaffel. De werkgever wil de pensioenregeling aanpassen aan de Wtp. In scenario één stappen alle werknemers over naar een vlakke premie. Oudere werknemers worden gecompenseerd voor eventueel nadeel. In scenario twee maakt de werkgever gebruik van de eerbiedigende werking. Bestaande werknemers behouden de huidige leeftijdsoplopende premiestaffel en alleen nieuwe werknemers krijgen een vlakke premie. Beide scenario’s vallen binnen het overgangsrecht van de Wtp. Maar, alleen in het tweede scenario wordt gebruikgemaakt van de eerbiedigende werking.   In beide scenario’s is bovendien sprake van een instemmingstraject met de ondernemingsraad: In het eerste scenario wordt de bestaande pensioenregeling gewijzigd naar een nieuwe regeling met een vlakke premie en kan daarnaast een compensatieregeling worden vastgesteld; enIn het tweede scenario behouden bestaande werknemers weliswaar de leeftijdsafhankelijke premiestaffel, maar wordt de pensioenregeling op onderdelen nog steeds aangepast, bijvoorbeeld door de wijziging van het nabestaandenpensioen. Daarnaast wordt voor nieuwe werknemers een nieuwe pensioenregeling met een vlakke premie vastgesteld. De keuze voor eerbiedigende werking betekent dus niet dat de ondernemingsraad geen rol meer heeft. Voor de ondernemingsraad ligt de uitdaging vervolgens in de vraag welke oplossing het meest evenwichtig is voor alle betrokken werknemersgroepen.

Welke vragen kan de ondernemingsraad stellen?
Bij een voorstel om gebruik te maken van het overgangsrecht doet de ondernemingsraad er goed aan om eerst vast te stellen welke groepen werknemers door de keuze worden geraakt.

  1. Een eerste vraag is of er twee groepen werknemers binnen de organisatie ontstaan. Bestaande werknemers behouden dan immers een andere pensioenregeling dan toekomstige collega’s. Hoewel dit juridisch mogelijk is, moet de ondernemingsraad beoordelen of deze verschillen ook op langere termijn uitlegbaar en wenselijk zijn.
  2. Daarnaast moet de ondernemingsraad inzicht krijgen in eventuele compensatie. Wanneer alle werknemers overstappen naar een vlakke premie zullen met name oudere werknemers soms nadeel ondervinden. In dat geval kan compensatie gewenst zijn. Door gebruik te maken van de eerbiedigende werking wordt dit probleem voor bestaande werknemers vaak beperkt of voorkomen. Er zijn meerdere mogelijkheden om te compenseren. Al deze mogelijkheden hebben hun eigen voor- en nadelen. De ondernemingsraad moet begrijpen welke rol dit argument speelt in de afweging van de werkgever.
  3. Ook de positie van toekomstige werknemers verdient aandacht. De ondernemingsraad behartigt niet alleen de belangen van huidige werknemers, maar moet ook oog hebben voor de gevolgen van een nieuwe pensioenregeling voor werknemers die later in dienst treden. Een keuze die gunstig is voor de ene groep, kan immers anders uitpakken voor de andere.
  4. Verder is het belangrijk om te kijken naar de uitvoerbaarheid en communicatie. Pensioen is voor veel werknemers ingewikkelde materie. Wanneer binnen één organisatie twee verschillende pensioenregelingen bestaan, vraagt dit extra aandacht voor de uitleg en communicatie. Werknemers moeten begrijpen waarom verschillen ontstaan en welke gevolgen dat voor hen heeft.

Tot slot
Voor ondernemingsraden is het verschil tussen overgangsrecht en de eerbiedigende werking meer dan een juridisch detail. Het bepaalt welke werknemers worden geraakt, of compensatie nodig is, of er verschillende pensioenregelingen binnen de onderneming ontstaan en hoe de arbeidsvoorwaarde pensioen er in de toekomst uit komt te zien. Juist daarom doet de ondernemingsraad er verstandig aan om niet alleen te vragen óf overgangsrecht wordt toegepast, maar vooral welk overgangsrecht wordt gekozen en welke gevolgen dat heeft voor huidige én toekomstige werknemers.

Daarbij speelt ook het instemmingsrecht van de ondernemingsraad een belangrijke rol. Op grond van artikel 27 lid 1 onder a WOR heeft de ondernemingsraad instemmingsrecht bij een voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van regelingen op grond van een pensioenovereenkomst, voor zover deze betrekking hebben op alle of een groep van de in de onderneming werkzame personen. Dat betekent dat de ondernemingsraad bij de overgang naar een Wtp-conforme pensioenregeling niet alleen moet beoordelen welke technische of juridische route wordt gekozen, maar ook of de gevolgen daarvan voldoende inzichtelijk, evenwichtig en uitlegbaar zijn.